Halloween verhaal: Hotelkamer 18

Een spannend verhaal met details die echt gebeurd zijn? Veel leesplezier!

Een orkest aan vogels zingt een lied, onverstaanbaar timmert de specht tegen een boom en ik wandel door het bos terug naar het hoofdgebouw van het hotel op het landgoed. Via de zijkant van het gebouw glip ik naar binnen. Er is niemand aanwezig in de keuken. Ik gooi de deur naar de personeelskantine open, maar ook daar is niemand. Een heldere kraak verstoort de stilte. Ik hoor voetstappen en dan staan ze plots stil. Met ingehouden adem kijk ik om de hoek, het is de jonge man van de bediening. Met wijd opgesperde ogen neemt hij de keuken in zich op. Na vijf minuten wachten loopt hij weg. De jonge man roept naar de receptioniste en zij roept iets terug, tegelijk bromt iemand van verder weg. Vanaf de bar gok ik zo. Iets wat ik niet kan verstaan.

Mijn ene hand laad ik glijden over het keukenblad terwijl ik met de ander hand over mijn buik wrijf. Honger. Stilletjes loop ik naar de koelcel en pak ik uit één van de dozen een roze taartje met frambozen. Het taartje smikkel ik op. Van schrik valt een framboos van mijn taart. Ik hoorde de deuren van de ingang open en dichtgaan. Gehaast loop ik naar de deur van de keuken, via het raam heb ik uitzicht op het plein voor het hotel. Ik zie twee gestaltes weggaan. De één is duidelijk een vrouw, haar paardenstaart wappert in de wind. De ander is een man, ik hoor namelijk een wat diepere stem de vrouw gedag zeggen. Hij stapt op de fiets, terwijl de achterlichten van de vrouw haar auto het terrein via de poort verlaten.

Dat zou betekenen dat er nog één persoon aanwezig is, maar wie? Via de keuken loop ik naar het restaurant gedeelte. Net voordat een persoon de deuren dichtdoet, die het restaurant gedeelte van de lobby scheidt, zie ik dat het de jonge man is. Zijn voetstappen verdwijnen verder het hotelgebouw in. Ik kom achter de ontbijttafel vandaan en wandel naar de deur die hij net had dichtgedaan. Ik volg hem. Door kleine muizenstappen te zetten weet ik dat hij mij niet zal horen. Hij draait zich om. Ik wil me verstoppen. Ik loop de gang terug richting de lobby, maar net voordat ik de lobby instap sla ik rechtsaf naar de bar waar ik mij onder verstop. Door de adrenaline merkte ik het eerst niet, nu ik in stilte aan het wachten ben voel ik de pijn aan mijn hand. “Hallo?” De man van de bediening zie ik vanuit mijn schuilplek verrast kijken. Hij kijkt naar het koord aan de sleutel die in de deur zit, de sleutelhanger beweegt hard op en neer. Dat is het moment dat ik weet waarom ik pijn heb aan mijn hand. Tijdens mijn poging om te vluchten naar de bar ben ik tegen het koord aangelopen. Ik zie de schik in de man zijn ogen. Hij weet dat hij niet alleen is. Voor hij beweegt baan ik mezelf een weg naar het terras. Van buiten zie ik dat de man de lichten uitdoet. Zijn werkavond is niet voorbij wanneer de telefoon over gaat in de lobby. Hij loopt door de deuren richting de keuken. Ik maak een sprintje naar het raam van de deur in de keuken om te kijken waar hij is. Ik zie slechts een schim met iets groots en wits in handen. Het is vast een extra deken voor één van de gasten in het hotel. Door de deuren van het terras loopt de man van de bediening naar het losse hotelgebouw. Ik volg hem op de voet. Via een pad door het bos waar het orkest aan vogels inmiddels is gestopt. Ik loop achter hem aan het hotel binnen. De lichten flikkeren. Het lijkt of de lichten te vermoeid zijn om nog te branden. Een harde wind buiten doet het dak van het hotel kraken. Nog steeds volg ik de man op de voet. Hij klopt op een hotelkamerdeur en die gaat meteen open. Hij levert het beddengoed af. Zijn hoofd draait even opzij. Schrik. Angst. In zijn ogen. De lichten gaan uit. Een schreeuw door de nacht doet alle hoteldeuren openen. Meer geschreeuw. Chaos.

Wanneer ik eenmaal buiten ben gaan de lichten weer aan. De chaos is net zo snel verdwenen als dat het gekomen was. Maar de angst in de man zijn ogen blijven. Twijfelachtig loopt hij terug naar het hoofdgebouw met een omweg. Hij moet natuurlijk alle sloten checken van alle losse gebouwen op dit landgoed. Ik volg hem. Takken breken onder zijn voeten. Een uil maakt een scherp geluid van de nacht. Heeft het orkest dan toch niet zijn slotakkoord gespeeld? Mist lijkt uit het niets op te komen. Hij loopt sneller, maar ik ga net zo snel met hem mee. Voor hij het hoofdgebouw instapt zie ik hem slikken. Zijn adamsappel gaat duidelijk heen en weer. De man maakt de keuze om het gebouw niet meer in te stappen en doet het gebouw slechts op slot. Hij wandelt naar zijn fiets. De mist komt tot zijn knieën. Een schel geluid doorbreekt zijn concentratie. De poort van het landgoed die alleen met de hand open en dicht kan worden gedaan is zojuist dichtgegaan. Geen moment van twijfel zie ik. De man maakt een sprintje naar het hoofdgebouw. Uit zijn zweterige handen valt de sleutel. Hij raapt het op en maakt alsnog de deur open. De jonge man weet dat hij in de val zit. Blijkbaar heeft hij besloten dat hij gaat waar het licht is. Het losse hotelgebouw in het bos. Ik zie hem een hotelkamersleutel pakken. Vannacht blijft hij hier. Hij is van mij. Opnieuw en de laatste keer deze nacht volg ik hem op de voet. De mist komt inmiddels tot zijn middel. Ik volg hem de gang in met foto’s aan de muur. Hij stopt bij kamer 18. Mijn kamer 18. Maar hij heeft geen idee. Gehaast in de hotelkamer draait hij de deur op slot. Vervolgens leunt hij met zijn rug tegen de deur. Ik zie dat hij mij ziet. Via het raam. Ik sta daar in het bos naar hem te staren. Van verre hoor ik de kerkklok afgaan. Het is 12 uur.

De volgende dag zie ik de man met dikke wallen onder zijn ogen de hotelkamer uitkomen. Hij kijkt mij aan. Niet wetend wat hij ziet. De vrouw die hem gister een bezoek bracht zit nu vast in een foto aan de muur van het hotelgebouw in het bos. Nog nooit heb ik iemand zo hard zien rennen. Tot volgend jaar op 31 oktober.

Liefs,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *